schipper
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈsxɪpərBetekenis
- iemand die de verantwoordelijkheid heeft voor de besturing van een schip
Hoe spreek je schipper uit?
/ˈsxɪpər/
Schipper bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schippers | meervoud |
| schippertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schippertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schipperen
- gebiedende wijs van schipperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schipperen
Vervoeging van schipper
schipperhele werkwoord
Herkomst
afgeleid van schip met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van schipper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schippers | meervoud | schipper |
| schippertje | verkleinwoord | schipper |
| schippertjes | verkleinwoord meervoud | schipper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schipper zijn vastgelegd.