schipperen
werkwoordBetekenis
- bekwaam de rol van schipper vervullen, gewoonlijk op een zeilboot
- ~ tussen behoedzaam twee of meer belangengroepen te vriend trachten te houden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- ~ tussen behoedzaam twee of meer onderling tegengestelde belangengroepen tegelijkertijd te vriend trachten te houden figuratively, unergative
Vervoeging van schipperen
schipperenhele werkwoord — schipperdeverleden tijd enkelvoud — schipperdenverleden tijd meervoud — geschipperdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schipper | schipperde |
| jij | schippert | schipperde |
| hij, zij, het | schippert | schipperde |
| wij | schipperen | schipperden |
| jullie | schipperen | schipperden |
| zij | schipperen | schipperden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschipperd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschipperd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschipperd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschipperd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschipperd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschipperd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschipperd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschipperd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschipperd | verleden tijd, deelwoord |
| geschipperd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschipperd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschipperd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschipperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschipperd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschipperd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschipperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschipperd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschipperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschipperd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschipperd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschipperd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschipperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschipperd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschipperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschipperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschipperd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schipper | gebiedende wijs |
| schipperde | verleden tijd |
| schippere | aanvoegende wijs |
| schipperend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschipperd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schipperen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schipperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschipperd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschipperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschipperd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschipperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschipperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschipperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschipperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschipperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschipperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschipperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschipperd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschipperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschipperd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schipperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschipperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schipperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘naar omstandigheden handelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1908
Woordfamilie van schipperen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschipperd | voltooid deelwoord | schipperen |
| schipperde | verleden tijd | schipperen |
| schipperden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schipperen |
| schippere | aanvoegende wijs | schipperen |
| schipperend | onvoltooid deelwoord | schipperen |
| schipperende | woordvorm | schipperen |
| schippert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schipperen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schipperen zijn vastgelegd.