chipper
zelfstandig naamwoord ˈtʃɪpərBetekenis
- (Nederland) chipkaart waarop men een bepaald bedrag kan plaatsen en waarmee betaald kan worden
- fabrikant van computerchips
- golfer die goed is in het precies uitvoeren van slagen waarbij de bal een korte vlucht heeft, maar lang blijft doorrollen
- machine die takken en dunne stammetjes in kleine stukjes hakt
Hoe spreek je chipper uit?
/ˈtʃɪpər/
Chipper bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- chipkaart waarop men een bepaald bedrag kan plaatsen en waarmee betaald kan worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| chippers | meervoud |
Herkomst
[1]: afgeleid van chip zn "microprocessor" met het achtervoegsel -er, van de merknaam "Chipper" voor de chipkaart die Postbank en PTT in 1996 introduceerden
Woordfamilie van chipper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| chippers | meervoud | chipper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van chipper zijn vastgelegd.