flirten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- vrijblijvend een ander of elkaar het hof maken
Vervoeging van flirten
flirtenhele werkwoord — flirtteverleden tijd enkelvoud — flirttenverleden tijd meervoud — geflirtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | flirt | flirtte |
| jij | flirt | flirtte |
| hij, zij, het | flirt | flirtte |
| wij | flirten | flirtten |
| jullie | flirten | flirtten |
| zij | flirten | flirtten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| flirt | gebiedende wijs |
| flirte | aanvoegende wijs |
| flirtend | onvoltooid, deelwoord |
| flirtte | verleden tijd |
| geflirt | verleden tijd, deelwoord |
| geflirt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geflirt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geflirt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geflirt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geflirt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geflirt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geflirt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geflirt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geflirt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geflirt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflirt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geflirt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflirt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geflirt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geflirt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflirt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflirt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te flirten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geflirt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen flirten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal flirten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal flirten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal flirten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geflirt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geflirt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geflirt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou flirten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou flirten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou flirten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geflirt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geflirt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geflirt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden flirten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden flirten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden flirten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geflirt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geflirt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geflirt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt flirten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geflirt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen flirten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen flirten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen flirten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen flirten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geflirt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geflirt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geflirt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult flirten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geflirt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord flirt
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘niet serieus het hof maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1889
Woordfamilie van flirten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flirte | aanvoegende wijs | flirten |
| flirtend | onvoltooid deelwoord | flirten |
| flirtende | woordvorm | flirten |
| flirtte | verleden tijd | flirten |
| flirtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | flirten |
| geflirt | voltooid deelwoord | flirten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flirten zijn vastgelegd.