schaatsen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsxatsə(n)Betekenis
- zich voortbewegen op schaatsen
- zich op schaatsen ergens heenbewegen
- het zich als vermaak voortbewegen op schaatsen (al dan niet op ijs)
Hoe spreek je schaatsen uit?
/ˈsxatsən/
Schaatsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van schaatsen
schaatsenhele werkwoord — schaatsteverleden tijd enkelvoud — schaatstenverleden tijd meervoud — geschaatstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schaats | schaatste |
| jij | schaatst | schaatste |
| hij, zij, het | schaatst | schaatste |
| wij | schaatsen | schaatsten |
| jullie | schaatsen | schaatsten |
| zij | schaatsen | schaatsten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaatst | verleden tijd, deelwoord |
| geschaatst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaatst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaatst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schaats | gebiedende wijs |
| schaatse | aanvoegende wijs |
| schaatsend | onvoltooid, deelwoord |
| schaatste | verleden tijd |
| te hebben geschaatst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schaatsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schaatsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schaatsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schaats
Woordfamilie van schaatsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschaatst | voltooid deelwoord | schaatsen |
| geschaatste | woordvorm | schaatsen |
| schaatse | aanvoegende wijs | schaatsen |
| schaatsend | onvoltooid deelwoord | schaatsen |
| schaatsende | woordvorm | schaatsen |
| schaatst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schaatsen |
| schaatste | verleden tijd | schaatsen |
| schaatsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schaatsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaatsen zijn vastgelegd.