schaats
zelfstandig naamwoord, werkwoord sxatsBetekenis
- een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
Hoe spreek je schaats uit?
/sxats/
Schaats bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schaatsen | meervoud |
| schaatsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schaatsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaatsen
- gebiedende wijs van schaatsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaatsen
Vervoeging van schaats
schaatshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ijzeren voetsteun om over ijs te gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Woordfamilie van schaats
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schaatsje | verkleinwoord | schaats |
| schaatsjes | verkleinwoord meervoud | schaats |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaats zijn vastgelegd.