schaatsseizoen
zelfstandig naamwoordBetekenis
- periode van een jaar dat men kan schaatsen
- periode van een jaar dat men schaatswedstrijden houdt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schaatsseizoenen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van schaatsen zn en seizoen zn
Woordfamilie van schaatsseizoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schaatsseizoenen | meervoud | schaatsseizoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaatsseizoen zijn vastgelegd.