samenzweren
werkwoord /ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/Betekenis
- geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
Hoe spreek je samenzweren uit?
/ˈsamənˌzwɪrən/
Samenzweren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| z | zon |
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van samenzweren
samenzwerenhele werkwoord — zwoer samenverleden tijd enkelvoud — zwoeren samenverleden tijd meervoud — samengezworenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zweer samen | zwoer samen |
| jij | zweert samen | zwoer samen |
| hij, zij, het | zweert samen | zwoer samen |
| wij | zweren samen | zwoeren samen |
| jullie | zweren samen | zwoeren samen |
| zij | zweren samen | zwoeren samen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had samengezworen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had samengezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had samengezworen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden samengezworen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden samengezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden samengezworen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt samengezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb samengezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengezworen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben samengezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben samengezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt samengezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| samen te zullen zweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen te zweren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen zal zweren | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou zweren | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden zweren | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt zweren | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen zweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen zweren | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult zweren | bijzin, toekomende tijd |
| samengezworen | verleden tijd, deelwoord |
| samengezworen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengezworen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samenzweer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenzweert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenzwerend | onvoltooid, deelwoord |
| samenzwoer | bijzin, verleden tijd |
| samenzwoeren | bijzin, verleden tijd |
| te hebben samengezworen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samenzweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal samengezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samenzweren | bijzin, toekomende tijd |
| zou samengezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samenzweren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samenzweren samen zou(dt) zweren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samenzweren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samenzweren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samenzweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samenzweren | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult samenzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult samenzweren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal samenzweren samen zult/zal zweren | bijzin, toekomende tijd |
| zweer samen | gebiedende wijs |
| zwoer samen | verleden tijd |
Herkomst
samenstelling van samen en zweren
Woordfamilie van samenzweren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| samengezworen | voltooid deelwoord | samenzweren |
| samenzweer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenzweren |
| samenzweert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenzweren |
| samenzwere | with-subordinate-clause | samenzweren |
| samenzwerend | onvoltooid deelwoord | samenzweren |
| samenzwerende | woordvorm | samenzweren |
| samenzwoer | subordinate-clause, verleden tijd | samenzweren |
| samenzwoeren | subordinate-clause, verleden tijd | samenzweren |
| zweer samen | gebiedende wijs | samenzweren |
| zweert samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samenzweren |
| zwere samen | woordvorm | samenzweren |
| zweren samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samenzweren |
| zwoer samen | verleden tijd | samenzweren |
| zwoeren samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samenzweren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenzweren zijn vastgelegd.