Naar de inhoud

domineren

het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden

domineren

werkwoord /domiˈnɪːrə(n)/

Betekenis

  1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden

Hoe spreek je domineren uit?

/domiˈnɪrən/

Domineren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /domiˈnɪrən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
d dak
o boot
m maan
i riet
n nek
ɪ pit
r rood
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van domineren

dominerenhele werkwoord — domineerdeverleden tijd enkelvoud — domineerdenverleden tijd meervoud — gedomineerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik domineer domineerde
jij domineert domineerde
hij, zij, het domineert domineerde
wij domineren domineerden
jullie domineren domineerden
zij domineren domineerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
domineer gebiedende wijs
domineerde verleden tijd
dominere aanvoegende wijs
dominerend onvoltooid, deelwoord
er is gedomineerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedomineerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedomineerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedomineerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedomineerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedomineerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedomineerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedomineerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedomineerd verleden tijd, deelwoord
gedomineerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedomineerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedomineerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedomineerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedomineerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedomineerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedomineerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedomineerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedomineerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedomineerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedomineerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedomineerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedomineerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedomineerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedomineerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedomineerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedomineerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te domineren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedomineerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen domineren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal domineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal domineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal domineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedomineerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedomineerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedomineerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou domineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou domineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou domineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedomineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedomineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedomineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden domineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden domineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden domineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedomineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedomineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedomineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt domineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedomineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen domineren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen domineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen domineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen domineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedomineerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedomineerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedomineerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult domineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedomineerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overheersen’ voor het eerst aangetroffen in 1467

Woordfamilie van domineren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
domineer gebiedende wijs domineren
domineerde verleden tijd domineren
domineerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon domineren
domineert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon domineren
dominere aanvoegende wijs domineren
gedomineerd voltooid deelwoord domineren
gedomineerde woordvorm domineren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van domineren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over domineren

Hoe spreek ik domineren uit?
Zo spreek je domineren uit: /domiˈnɪːrə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van domineren?
Domineren is een werkwoord. De betekenis is: het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden.
Hoe vervoeg ik domineren?
Zo vervoeg je domineren zo: de tegenwoordige tijd is domineer, de verleden tijd is domineerde en het voltooid deelwoord is gedomineerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op domineren?

In dit woordenboek rijmen 9 woorden op -eren op domineren, zoals zweren, samenzweren en annexeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op domineren, uitspraak domiˈnɪrən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
zweren 2
samenzweren 4
annexeren 4
urineren 4
kopiëren 4
intimideren 5
kirren 2
speren 2
wikificeren 5

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord domineren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. O 1
  3. M 3
  4. I 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

domineren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. O 1
  3. M 3
  4. I 2
  5. N 1
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

domineren in het kort

domineren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van domineren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort domineren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

domineren: het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
Deel domineren — standaardnederlands.nl