rug
zelfstandig naamwoord /rɵx/Betekenis
- zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen; bij mensen aan de achterzijde en bij andere dieren aan de bovenzijde gelegen
- achterkant
- dat gedeelte van een boek waar de bladen bij elkaar komen
- rode ~: biljet van 1000 gulden
- achterkant van een bankbiljet
- hoger liggend, lang gerekte landsvorm (ook onder water)
- een langgerekt gebied met hoge luchtdruk
Hoe spreek je rug uit?
/rɵx/
Rug bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɵ | put |
| x | acht |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ruggen | meervoud |
| ruggetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ruggetjes | verkleinwoord, meervoud |
| rugje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rugjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘achterzijde’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van rug
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ruggen | meervoud | rug |
| ruggetje | verkleinwoord | rug |
| ruggetjes | verkleinwoord meervoud | rug |
| rugje | verkleinwoord | rug |
| rugjes | verkleinwoord meervoud | rug |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rug zijn vastgelegd.