rugby
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- balspel met ovaalvormige bal voor twee ploegen waarbij de bal naar voren getrapt wordt of men met de bal naar voren met lopen.
zelfstandig naamwoord — neuter
- balspel met ovaalvormige bal voor twee ploegen waarbij de bal naar voren getrapt wordt of men met de bal naar voren met lopen
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rugbyen
- gebiedende wijs van rugbyen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rugbyen
Vervoeging van rugby
rugbyhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘balspel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1879. Er is geen etymologisch verband met het Nederlandse rug zn .