risicofactor
zelfstandig naamwoord ˈrizikoˌfɑktɔrBetekenis
- omstandigheid die de kans op ziekte vergroot
Hoe spreek je risicofactor uit?
/ˈrizikoˌfɑktɔr/
Risicofactor bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| i | riet |
| z | zon |
| k | kat |
| o | boot |
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- factor die de kans op problemen vergroot
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| risicofactoren | meervoud |
| risicofactortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| risicofactortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van risico zn en factor zn
Woordfamilie van risicofactor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| risicofactoren | meervoud | risicofactor |
| risicofactortje | verkleinwoord | risicofactor |
| risicofactortjes | verkleinwoord meervoud | risicofactor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van risicofactor zijn vastgelegd.