rijmelen
werkwoord /ˈrɛɪmələ(n)/Betekenis
- slechte gedichten maken
Hoe spreek je rijmelen uit?
/ˈrɛimələn/
Rijmelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
| m | maan |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van rijmelen
rijmelenhele werkwoord — rijmeldeverleden tijd enkelvoud — rijmeldenverleden tijd meervoud — gerijmeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rijmel | rijmelde |
| jij | rijmelt | rijmelde |
| hij, zij, het | rijmelt | rijmelde |
| wij | rijmelen | rijmelden |
| jullie | rijmelen | rijmelden |
| zij | rijmelen | rijmelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gerijmeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerijmeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerijmeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerijmeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerijmeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerijmeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerijmeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerijmeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerijmeld | verleden tijd, deelwoord |
| gerijmeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerijmeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerijmeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerijmeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerijmeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerijmeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerijmeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerijmeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerijmeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerijmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerijmeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerijmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerijmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerijmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerijmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerijmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerijmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rijmel | gebiedende wijs |
| rijmelde | verleden tijd |
| rijmele | aanvoegende wijs |
| rijmelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerijmeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rijmelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rijmelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerijmeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerijmeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerijmeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerijmeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerijmeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerijmeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerijmeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerijmeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerijmeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerijmeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerijmeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerijmeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerijmeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rijmelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerijmeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rijmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit rijmen met het achtervoegsel -el
Woordfamilie van rijmelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerijmeld | voltooid deelwoord | rijmelen |
| gerijmelde | woordvorm | rijmelen |
| rijmel | gebiedende wijs | rijmelen |
| rijmelde | verleden tijd | rijmelen |
| rijmelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rijmelen |
| rijmele | aanvoegende wijs | rijmelen |
| rijmelend | onvoltooid deelwoord | rijmelen |
| rijmelende | woordvorm | rijmelen |
| rijmelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rijmelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijmelen zijn vastgelegd.