redetwisten
werkwoordBetekenis
- woordenstrijd voeren
Vervoeging van redetwisten
redetwistenhele werkwoord — redetwistteverleden tijd enkelvoud — redetwisttenverleden tijd meervoud — geredetwistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | redetwist | redetwistte |
| jij | redetwist | redetwistte |
| hij, zij, het | redetwist | redetwistte |
| wij | redetwisten | redetwistten |
| jullie | redetwisten | redetwistten |
| zij | redetwisten | redetwistten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geredetwist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geredetwist | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geredetwist | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geredetwist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geredetwist worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geredetwist zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geredetwist worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geredetwist zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geredetwist | verleden tijd, deelwoord |
| geredetwist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geredetwist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geredetwist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geredetwist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geredetwist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geredetwist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geredetwist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geredetwist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geredetwist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geredetwist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geredetwist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geredetwist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geredetwist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geredetwist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geredetwist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geredetwist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geredetwist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| redetwist | gebiedende wijs |
| redetwiste | aanvoegende wijs |
| redetwistend | onvoltooid, deelwoord |
| redetwistte | verleden tijd |
| te hebben geredetwist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te redetwisten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen redetwisten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geredetwist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geredetwist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geredetwist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geredetwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geredetwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geredetwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geredetwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geredetwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geredetwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geredetwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geredetwist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geredetwist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geredetwist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen redetwisten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geredetwist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult redetwisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘disputeren’ voor het eerst aangetroffen in 1691
Woordfamilie van redetwisten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geredetwist | voltooid deelwoord | redetwisten |
| redetwiste | aanvoegende wijs | redetwisten |
| redetwistend | onvoltooid deelwoord | redetwisten |
| redetwistende | woordvorm | redetwisten |
| redetwistte | verleden tijd | redetwisten |
| redetwistten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | redetwisten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van redetwisten zijn vastgelegd.