redevoeren
werkwoordBetekenis
- een toespraak houden
Vervoeging van redevoeren
redevoerenhele werkwoord — redevoerdeverleden tijd enkelvoud — redevoerdenverleden tijd meervoud — geredevoerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | redevoer | redevoerde |
| jij | redevoert | redevoerde |
| hij, zij, het | redevoert | redevoerde |
| wij | redevoeren | redevoerden |
| jullie | redevoeren | redevoerden |
| zij | redevoeren | redevoerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geredevoerd | verleden tijd, deelwoord |
| geredevoerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geredevoerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geredevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geredevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geredevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geredevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geredevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geredevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geredevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geredevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geredevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geredevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geredevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geredevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geredevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geredevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geredevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| redevoer | gebiedende wijs |
| redevoerde | verleden tijd |
| redevoere | aanvoegende wijs |
| redevoerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geredevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te redevoeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen redevoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geredevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geredevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geredevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geredevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geredevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geredevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geredevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geredevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geredevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geredevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geredevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geredevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geredevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen redevoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geredevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult redevoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van rede en voeren
Woordfamilie van redevoeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geredevoerd | voltooid deelwoord | redevoeren |
| redevoer | gebiedende wijs | redevoeren |
| redevoerde | verleden tijd | redevoeren |
| redevoerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | redevoeren |
| redevoere | aanvoegende wijs | redevoeren |
| redevoerend | onvoltooid deelwoord | redevoeren |
| redevoerende | woordvorm | redevoeren |
| redevoert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | redevoeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van redevoeren zijn vastgelegd.