twisten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈtwɪstə(n)Betekenis
- onenigheid hebben
- een heftige discussie voeren
Hoe spreek je twisten uit?
/ˈtwɪstən/
Twisten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van twisten
twistenhele werkwoord — twistteverleden tijd enkelvoud — twisttenverleden tijd meervoud — getwistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | twist | twistte |
| jij | twist | twistte |
| hij, zij, het | twist | twistte |
| wij | twisten | twistten |
| jullie | twisten | twistten |
| zij | twisten | twistten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getwist | verleden tijd, deelwoord |
| getwist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getwist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getwist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getwist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getwist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getwist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getwist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getwist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getwist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getwist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getwist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getwist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getwist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getwist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getwist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getwist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getwist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getwist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te twisten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen twisten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| twist | gebiedende wijs |
| twiste | aanvoegende wijs |
| twistend | onvoltooid, deelwoord |
| twistte | verleden tijd |
| zal getwist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getwist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getwist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal twisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal twisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal twisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou twisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou twisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou twisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden twisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden twisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden twisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getwist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt twisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getwist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getwist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getwist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen twisten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen twisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen twisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen twisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getwist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult twisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord twist
Herkomst
afgeleid van twist met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van twisten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getwist | voltooid deelwoord | twisten |
| twiste | aanvoegende wijs | twisten |
| twistend | onvoltooid deelwoord | twisten |
| twistende | woordvorm | twisten |
| twistte | verleden tijd | twisten |
| twistten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | twisten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van twisten zijn vastgelegd.