rechtspreken
werkwoordBetekenis
- een gerechtelijke uitspraak doen
Vervoeging van rechtspreken
rechtsprekenhele werkwoord — sprak rechtverleden tijd enkelvoud — spraken rechtverleden tijd meervoud — rechtgesprokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spreek recht | sprak recht |
| jij | spreekt recht | spraakt recht |
| hij, zij, het | spreekt recht | sprak recht |
| wij | spreken recht | spraken recht |
| jullie | spreken recht | spraken recht |
| zij | spreken recht | spraken recht |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had rechtgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had rechtgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had rechtgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden rechtgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden rechtgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden rechtgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt rechtgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb rechtgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben rechtgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben rechtgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben rechtgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben rechtgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt rechtgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft rechtgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft rechtgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| recht te spreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| recht te zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| recht zal spreken | bijzin, toekomende tijd |
| recht zou spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| recht zouden spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| recht zoudt spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| recht zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| recht zullen spreken | bijzin, toekomende tijd |
| recht zult spreken | bijzin, toekomende tijd |
| rechtgesproken | verleden tijd, deelwoord |
| rechtgesproken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| rechtgesproken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| rechtspraakt | bijzin, verleden tijd |
| rechtsprak | bijzin, verleden tijd |
| rechtspraken | bijzin, verleden tijd |
| rechtspreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| rechtspreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| rechtsprekend | onvoltooid, deelwoord |
| sprak recht | verleden tijd |
| spreek recht | gebiedende wijs |
| te hebben rechtgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rechtspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal rechtgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal rechtgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal rechtgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal rechtspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zou rechtgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou rechtgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou rechtgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou rechtspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) rechtspreken recht zou(dt) spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden rechtgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden rechtgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden rechtgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden rechtspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt rechtgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt rechtspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen rechtgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen rechtgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen rechtgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rechtspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen rechtspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zult rechtgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rechtspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult rechtspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal rechtspreken recht zult/zal spreken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van recht en spreken
Woordfamilie van rechtspreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rechtgesproken | voltooid deelwoord | rechtspreken |
| rechtsprak | subordinate-clause, verleden tijd | rechtspreken |
| rechtspreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | rechtspreken |
| rechtspreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | rechtspreken |
| rechtspreke | with-subordinate-clause | rechtspreken |
| rechtsprekend | onvoltooid deelwoord | rechtspreken |
| rechtsprekende | woordvorm | rechtspreken |
| spraakt recht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | rechtspreken |
| sprak recht | verleden tijd | rechtspreken |
| spraken recht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rechtspreken |
| spreek recht | gebiedende wijs | rechtspreken |
| spreekt recht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rechtspreken |
| spreke recht | woordvorm | rechtspreken |
| spreken recht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | rechtspreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rechtspreken zijn vastgelegd.