veroordelen
werkwoord vərˈordelə(n)Betekenis
- in een rechtszaak een oordeel uitspreken
- zeggen dat je iets verkeerd vindt
Hoe spreek je veroordelen uit?
/vərˈordelən/
Veroordelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| o | boot |
| d | dak |
| e | veel |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van veroordelen
veroordelenhele werkwoord — veroordeeldeverleden tijd enkelvoud — veroordeeldenverleden tijd meervoud — veroordeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | veroordeel | veroordeelde |
| jij | veroordeelt | veroordeelde |
| hij, zij, het | veroordeelt | veroordeelde |
| wij | veroordelen | veroordeelden |
| jullie | veroordelen | veroordeelden |
| zij | veroordelen | veroordeelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is veroordeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was veroordeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd veroordeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt veroordeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal veroordeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal veroordeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou veroordeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou veroordeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had veroordeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had veroordeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had veroordeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden veroordeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden veroordeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden veroordeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt veroordeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben veroordeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben veroordeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te veroordelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen veroordelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| veroordeel | gebiedende wijs |
| veroordeeld | verleden tijd, deelwoord |
| veroordeeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| veroordeeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| veroordeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| veroordeeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| veroordeeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| veroordeeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| veroordeeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| veroordeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| veroordeeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| veroordeeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| veroordeelde | verleden tijd |
| veroordele | aanvoegende wijs |
| veroordelend | onvoltooid, deelwoord |
| waart veroordeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren veroordeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren veroordeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren veroordeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was veroordeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was veroordeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was veroordeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt veroordeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal veroordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal veroordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal veroordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal veroordeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal veroordeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt veroordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou veroordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou veroordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou veroordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou veroordeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou veroordeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou veroordeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden veroordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden veroordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden veroordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden veroordeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden veroordeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden veroordeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt veroordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt veroordeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen veroordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen veroordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen veroordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen veroordeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen veroordeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen veroordeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen veroordelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult veroordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult veroordeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult veroordeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult veroordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van oordelen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van veroordelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| veroordeel | gebiedende wijs | veroordelen |
| veroordeeld | voltooid deelwoord | veroordelen |
| veroordeelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | veroordelen |
| veroordele | aanvoegende wijs | veroordelen |
| veroordelend | onvoltooid deelwoord | veroordelen |
| veroordelende | woordvorm | veroordelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van veroordelen zijn vastgelegd.