oordelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈordelə(n)/Betekenis
- een oordeel geven over een persoon of een zaak
- een oordeel uitspreken, een vaste uitspraak doen
Hoe spreek je oordelen uit?
/ˈordelən/
Oordelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| r | rood |
| d | dak |
| e | veel |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van oordelen
oordelenhele werkwoord — oordeeldeverleden tijd enkelvoud — oordeeldenverleden tijd meervoud — geoordeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | oordeel | oordeelde |
| jij | oordeelt | oordeelde |
| hij, zij, het | oordeelt | oordeelde |
| wij | oordelen | oordeelden |
| jullie | oordelen | oordeelden |
| zij | oordelen | oordeelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geoordeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geoordeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geoordeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geoordeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geoordeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geoordeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geoordeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geoordeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geoordeeld | verleden tijd, deelwoord |
| geoordeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geoordeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geoordeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geoordeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geoordeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geoordeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geoordeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geoordeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geoordeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geoordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geoordeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geoordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geoordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geoordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geoordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geoordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geoordeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| oordeel | gebiedende wijs |
| oordeelde | verleden tijd |
| oordele | aanvoegende wijs |
| oordelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geoordeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te oordelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oordelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geoordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geoordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geoordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geoordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geoordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geoordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geoordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geoordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geoordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geoordeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geoordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geoordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geoordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oordelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geoordeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult oordelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord oordeel
Herkomst
Afleiding van deel met het voorvoegsel oor- en met het achtervoegsel -en (letterlijk: uitdelen).
Woordfamilie van oordelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geoordeeld | voltooid deelwoord | oordelen |
| geoordeelde | woordvorm | oordelen |
| oordeelde | verleden tijd | oordelen |
| oordeelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | oordelen |
| oordeelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | oordelen |
| oordele | aanvoegende wijs | oordelen |
| oordelend | onvoltooid deelwoord | oordelen |
| oordelende | woordvorm | oordelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oordelen zijn vastgelegd.