berechten
werkwoordBetekenis
- onderwerpen aan een rechtsproces
Vervoeging van berechten
berechtenhele werkwoord — berechtteverleden tijd enkelvoud — berechttenverleden tijd meervoud — berechtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | berecht | berechtte |
| jij | berecht | berechtte |
| hij, zij, het | berecht | berechtte |
| wij | berechten | berechtten |
| jullie | berechten | berechtten |
| zij | berechten | berechtten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| berecht | gebiedende wijs |
| berecht | verleden tijd, deelwoord |
| berecht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| berecht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| berecht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| berecht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| berecht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| berecht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| berecht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| berecht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| berecht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| berecht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| berechte | aanvoegende wijs |
| berechtend | onvoltooid, deelwoord |
| berechtte | verleden tijd |
| er is berecht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was berecht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd berecht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt berecht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal berecht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal berecht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou berecht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou berecht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had berecht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had berecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had berecht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden berecht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden berecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden berecht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt berecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben berecht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te berechten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben berecht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen berechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart berecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren berecht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren berecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren berecht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was berecht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was berecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was berecht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd berecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd berecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd berecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden berecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden berecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden berecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt berecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word berecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden berecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden berecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden berecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt berecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt berecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal berecht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal berecht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal berecht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal berecht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal berecht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal berechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal berechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal berechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt berecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou berecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou berecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou berecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou berecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou berecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou berecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou berechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou berechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou berechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden berecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden berecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden berecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden berecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden berecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden berecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden berechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden berechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden berechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt berecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt berecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt berechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen berecht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen berecht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen berecht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen berecht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen berecht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen berecht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen berechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen berechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen berechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen berechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult berecht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult berecht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult berecht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult berechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van rechten met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van berechten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| berecht | voltooid deelwoord | berechten |
| berechte | aanvoegende wijs | berechten |
| berechtend | onvoltooid deelwoord | berechten |
| berechtende | woordvorm | berechten |
| berechtte | verleden tijd | berechten |
| berechtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | berechten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van berechten zijn vastgelegd.