vonnissen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een vonnis uitspreken
Vervoeging van vonnissen
vonnissenhele werkwoord — vonnisteverleden tijd enkelvoud — vonnistenverleden tijd meervoud — gevonnistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vonnis | vonniste |
| jij | vonnist | vonniste |
| hij, zij, het | vonnist | vonniste |
| wij | vonnissen | vonnisten |
| jullie | vonnissen | vonnisten |
| zij | vonnissen | vonnisten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gevonnist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevonnist | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevonnist | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevonnist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevonnist worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevonnist zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevonnist worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevonnist zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevonnist | verleden tijd, deelwoord |
| gevonnist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevonnist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevonnist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevonnist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevonnist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevonnist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevonnist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevonnist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevonnist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevonnist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevonnist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevonnist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevonnist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevonnist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevonnist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevonnist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevonnist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevonnist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vonnissen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vonnissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vonnis | gebiedende wijs |
| vonnisse | aanvoegende wijs |
| vonnissend | onvoltooid, deelwoord |
| vonniste | verleden tijd |
| zal gevonnist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevonnist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevonnist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevonnist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevonnist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevonnist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevonnist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevonnist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevonnist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevonnist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevonnist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevonnist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevonnist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vonnissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevonnist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vonnissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vonnis
Herkomst
Afgeleid van vonnis.
Woordfamilie van vonnissen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevonnist | voltooid deelwoord | vonnissen |
| gevonniste | woordvorm | vonnissen |
| vonnisse | aanvoegende wijs | vonnissen |
| vonnissend | onvoltooid deelwoord | vonnissen |
| vonnissende | woordvorm | vonnissen |
| vonnist | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vonnissen |
| vonniste | verleden tijd | vonnissen |
| vonnisten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vonnissen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vonnissen zijn vastgelegd.