tieren
werkwoordBetekenis
- luidkeels woede uiten, woedend betogen, tekeergaan
- welig ~: uitbundig groeien, gedijen
Vervoeging van tieren
tierenhele werkwoord — tierdeverleden tijd enkelvoud — tierdenverleden tijd meervoud — getierdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tier | tierde |
| jij | tiert | tierde |
| hij, zij, het | tiert | tierde |
| wij | tieren | tierden |
| jullie | tieren | tierden |
| zij | tieren | tierden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getierd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getierd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getierd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getierd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getierd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getierd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getierd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getierd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getierd | verleden tijd, deelwoord |
| getierd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getierd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tieren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tier | gebiedende wijs |
| tierde | verleden tijd |
| tiere | aanvoegende wijs |
| tierend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘razen’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van tieren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getierd | voltooid deelwoord | tieren |
| tier | gebiedende wijs | tieren |
| tierde | verleden tijd | tieren |
| tierden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tieren |
| tiere | aanvoegende wijs | tieren |
| tierend | onvoltooid deelwoord | tieren |
| tierende | woordvorm | tieren |
| tiert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tieren zijn vastgelegd.