raaskallen
werkwoordBetekenis
- onzin uitkramen, wartaal spreken
Vervoeging van raaskallen
raaskallenhele werkwoord — raaskaldeverleden tijd enkelvoud — raaskaldenverleden tijd meervoud — geraaskaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | raaskal | raaskalde |
| jij | raaskalt | raaskalde |
| hij, zij, het | raaskalt | raaskalde |
| wij | raaskallen | raaskalden |
| jullie | raaskallen | raaskalden |
| zij | raaskallen | raaskalden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geraaskald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geraaskald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geraaskald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geraaskald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geraaskald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geraaskald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geraaskald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geraaskald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geraaskald | verleden tijd, deelwoord |
| geraaskald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geraaskald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geraaskald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geraaskald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geraaskald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geraaskald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geraaskald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geraaskald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geraaskald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geraaskald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geraaskald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geraaskald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geraaskald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geraaskald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geraaskald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geraaskald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geraaskald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| raaskal | gebiedende wijs |
| raaskalde | verleden tijd |
| raaskalle | aanvoegende wijs |
| raaskallend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geraaskald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te raaskallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen raaskallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geraaskald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geraaskald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geraaskald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geraaskald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geraaskald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geraaskald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geraaskald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geraaskald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geraaskald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geraaskald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geraaskald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geraaskald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geraaskald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen raaskallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geraaskald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult raaskallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘onzin praten’ voor het eerst aangetroffen in 1613
Woordfamilie van raaskallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geraaskald | voltooid deelwoord | raaskallen |
| raaskal | gebiedende wijs | raaskallen |
| raaskalde | verleden tijd | raaskallen |
| raaskalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | raaskallen |
| raaskalle | aanvoegende wijs | raaskallen |
| raaskallend | onvoltooid deelwoord | raaskallen |
| raaskallende | woordvorm | raaskallen |
| raaskalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | raaskallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van raaskallen zijn vastgelegd.