fulmineren
werkwoordBetekenis
- razen, tekeergaan, tieren
- feestelijk verlichten, illumineren
- knallen, ploffen
Vervoeging van fulmineren
fulminerenhele werkwoord — fulmineerdeverleden tijd enkelvoud — fulmineerdenverleden tijd meervoud — gefulmineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fulmineer | fulmineerde |
| jij | fulmineert | fulmineerde |
| hij, zij, het | fulmineert | fulmineerde |
| wij | fulmineren | fulmineerden |
| jullie | fulmineren | fulmineerden |
| zij | fulmineren | fulmineerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| fulmineer | gebiedende wijs |
| fulmineerde | verleden tijd |
| fulminere | aanvoegende wijs |
| fulminerend | onvoltooid, deelwoord |
| gefulmineerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefulmineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefulmineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefulmineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefulmineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefulmineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefulmineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefulmineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefulmineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefulmineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefulmineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefulmineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefulmineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefulmineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefulmineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefulmineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefulmineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefulmineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fulmineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefulmineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fulmineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefulmineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefulmineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefulmineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefulmineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefulmineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefulmineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefulmineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefulmineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefulmineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefulmineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fulmineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefulmineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefulmineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefulmineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fulmineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefulmineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘heftig uitvaren’ voor het eerst aangetroffen in 1574
Woordfamilie van fulmineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fulmineer | gebiedende wijs | fulmineren |
| fulmineerde | verleden tijd | fulmineren |
| fulmineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fulmineren |
| fulmineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fulmineren |
| fulminere | aanvoegende wijs | fulmineren |
| fulminerend | onvoltooid deelwoord | fulmineren |
| fulminerende | woordvorm | fulmineren |
| gefulmineerd | voltooid deelwoord | fulmineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fulmineren zijn vastgelegd.