proeftijd
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een periode waarin men iets of iemand kan uitproberen
- een periode waarin men bij het plegen van een strafbaar feit de voorwaardelijke straf alsnog krijg opgelegd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| proeftijden | meervoud |
| proeftijdje | verkleinwoord, enkelvoud |
| proeftijdjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van proef zn en tijd zn
Woordfamilie van proeftijd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| proeftijden | meervoud | proeftijd |
| proeftijdje | verkleinwoord | proeftijd |
| proeftijdjes | verkleinwoord meervoud | proeftijd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van proeftijd zijn vastgelegd.