piepelen
werkwoordBetekenis
- kleineren, als een onnozele jongen behandelen en voor de gek houden
- naaien, neuken
Vervoeging van piepelen
piepelenhele werkwoord — piepeldeverleden tijd enkelvoud — piepeldenverleden tijd meervoud — gepiepeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | piepel | piepelde |
| jij | piepelt | piepelde |
| hij, zij, het | piepelt | piepelde |
| wij | piepelen | piepelden |
| jullie | piepelen | piepelden |
| zij | piepelen | piepelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gepiepeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepiepeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepiepeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepiepeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepiepeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepiepeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepiepeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepiepeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepiepeld | verleden tijd, deelwoord |
| gepiepeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepiepeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepiepeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepiepeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepiepeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepiepeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepiepeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepiepeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepiepeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepiepeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepiepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepiepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepiepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepiepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepiepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepiepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepiepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepiepeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| piepel | gebiedende wijs |
| piepelde | verleden tijd |
| piepele | aanvoegende wijs |
| piepelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepiepeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te piepelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen piepelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gepiepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepiepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gepiepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepiepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepiepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gepiepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gepiepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gepiepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gepiepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepiepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepiepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepiepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepiepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gepiepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gepiepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepiepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepiepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepiepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepiepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepiepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepiepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepiepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepiepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepiepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepiepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepiepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepiepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepiepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepiepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepiepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepiepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepiepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepiepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepiepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen piepelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepiepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepiepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepiepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult piepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
[1] Uit de Amsterdamse spreektaal, afgeleid van piepel “jonge eend”, piepeltje “broekventje” met het achtervoegsel -en, aangetroffen vanaf de jaren 1980.
Woordfamilie van piepelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepiepeld | voltooid deelwoord | piepelen |
| gepiepelde | woordvorm | piepelen |
| piepelde | verleden tijd | piepelen |
| piepelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | piepelen |
| piepele | aanvoegende wijs | piepelen |
| piepelend | onvoltooid deelwoord | piepelen |
| piepelende | woordvorm | piepelen |
| piepelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | piepelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van piepelen zijn vastgelegd.