peuter
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈpøtərBetekenis
- een jong kind in de leeftijd van één tot vier jaar
- persoon die peutert, peuteraar
- stoot, por
Hoe spreek je peuter uit?
/ˈpøtər/
Peuter bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ø | deur |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- jong kind in de leeftijd van één tot vier jaar
- lepeltje om het oor te reinigen obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| peuters | meervoud |
| peutertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| peutertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van peuteren
- gebiedende wijs van peuteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van peuteren
Vervoeging van peuter
peuterhele werkwoord
Herkomst
naamwoord van handeling van peuteren ww **[1] in de betekenis van ‘klein kind’ voor het eerst aangetroffen in 1889 , mogelijk ook beïnvloed door kleuter **[4] voorwerp waarmee wordt gepeuterd
Woordfamilie van peuter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| peuters | meervoud | peuter |
| peutertje | verkleinwoord | peuter |
| peutertjes | verkleinwoord meervoud | peuter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van peuter zijn vastgelegd.