peuterspeelzaal
zelfstandig naamwoordBetekenis
- instelling waar peuters onder toezicht van peuterleidsters kunnen spelen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| peuterspeelzaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| peuterspeelzaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| peuterspeelzalen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van peuter en speelzaal
Woordfamilie van peuterspeelzaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| peuterspeelzaaltje | verkleinwoord | peuterspeelzaal |
| peuterspeelzaaltjes | verkleinwoord meervoud | peuterspeelzaal |
| peuterspeelzalen | meervoud | peuterspeelzaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van peuterspeelzaal zijn vastgelegd.