kneuter
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈknøtərBetekenis
- een vinkachtige zangvogel
Hoe spreek je kneuter uit?
/ˈknøtər/
Kneuter bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| n | nek |
| ø | deur |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
- kind dat laat merken dat het ontevreden is
- plaats waar iets is gevouwen of gevouwen is geweest
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kneuters | meervoud |
| kneutertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kneutertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kneuteren
- gebiedende wijs van kneuteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kneuteren
Vervoeging van kneuter
kneuterhele werkwoord
Herkomst
zn: [1] naamwoord van handeling kneuteren ww "kwetteren"
Woordfamilie van kneuter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kneuters | meervoud | kneuter |
| kneutertje | verkleinwoord | kneuter |
| kneutertjes | verkleinwoord meervoud | kneuter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kneuter zijn vastgelegd.