periode
zelfstandig naamwoord /pɪri'jodɘ/Betekenis
- bepaald tijdsbestek tussen twee tijdstippen
- menstruatie
- interval waarin een functie zich herhalen|herhaalt
- een groep cijfers die zich in een reeks blijft herhalen
- één volledige cyclus van zich herhalende verschijnselen als pulsreeksen, trillingen of golven
- een reeks elementen gerangschikt naar opklimmend aantal protonen tussen twee edelgassen
- een tijdperk dat deel uitmaakt van een era en bestaat uit subperiodes en tijdvak|tijdvakken
- het krijt en het jura zijn periodes van het era mesozoïcum.
- een tekstgedeelte met breed uitgewerkte volzinnen
Hoe spreek je periode uit?
/pɪriˈjodɘ/
Periode bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɪ | pit |
| r | rood |
| i | riet |
| j | ja |
| o | boot |
| d | dak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- interval waarin een functie zich herhaalt
- een tijdperk dat deel uitmaakt van een era en bestaat uit subperiodes en tijdvakken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| perioden | meervoud |
| periodes | meervoud |
| periodetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| periodetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tijdruimte’ voor het eerst aangetroffen in 1657
Woordfamilie van periode
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| perioden | meervoud | periode |
| periodes | meervoud | periode |
| periodetje | verkleinwoord | periode |
| periodetjes | verkleinwoord meervoud | periode |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van periode zijn vastgelegd.