periodetijd
zelfstandig naamwoord /pɪri'odɘ/Betekenis
- de lengte van een periode uitgedrukt in een tijdseenheid
Hoe spreek je periodetijd uit?
/pɪriˈodɘ/
Periodetijd bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɪ | pit |
| r | rood |
| i | riet |
| o | boot |
| d | dak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als periodeduur.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| periodetijden | meervoud |
| periodetijdje | verkleinwoord, enkelvoud |
| periodetijdjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van periode zn en tijd zn
Woordfamilie van periodetijd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| periodetijden | meervoud | periodetijd |
| periodetijdje | verkleinwoord | periodetijd |
| periodetijdjes | verkleinwoord meervoud | periodetijd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van periodetijd zijn vastgelegd.