maand
zelfstandig naamwoord /maːnt/Betekenis
- elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 31 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
- een tijdsperiode van ongeveer 30 dagen
Hoe spreek je maand uit?
/mant/
Maand bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| n | nek |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| maanden | meervoud |
| maandje | verkleinwoord, enkelvoud |
| maandjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘twaalfde deel van een jaar’ voor het eerst aangetroffen in 1050
Woordfamilie van maand
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maandje | verkleinwoord | maand |
| maandjes | verkleinwoord meervoud | maand |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van maand zijn vastgelegd.