Pasen
zelfstandig naamwoord ˈpasə(n)Betekenis
- het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Pasen in een zin
- Met Pasen komt de hele familie bij elkaar.
- De winkel is met Pasen twee dagen gesloten.
- Pasen is het belangrijkste feest van het christendom.
Hoe spreek je Pasen uit?
/ˈpasən/
Pasen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Pasens | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘christelijk feest’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van Pasen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Pasens | meervoud | Pasen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van Pasen zijn vastgelegd.