paaszondag
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paaszondagen | meervoud |
| paaszondagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paaszondagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Samenstelling van paas (afgeleid van Pasen) en zondag
Woordfamilie van paaszondag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paaszondagen | meervoud | paaszondag |
| paaszondagje | verkleinwoord | paaszondag |
| paaszondagjes | verkleinwoord meervoud | paaszondag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paaszondag zijn vastgelegd.