paasnacht
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de nacht waarin Jezus uit de dood herrees van de nacht van paaszaterdag naar eerste paasdag; de nacht van de paaswake
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paasnachten | meervoud |
| paasnachtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paasnachtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van Pasen zn en nacht zn
Woordfamilie van paasnacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paasnachten | meervoud | paasnacht |
| paasnachtje | verkleinwoord | paasnacht |
| paasnachtjes | verkleinwoord meervoud | paasnacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paasnacht zijn vastgelegd.