paasfeest
zelfstandig naamwoord /ˈpasfest/Betekenis
- (christelijke) jaarlijkse viering van Pasen, de opstanding van Jezus Christus uit de dood
- lentefeest
Hoe spreek je paasfeest uit?
/ˈpasfest/
Paasfeest bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| s | sok |
| f | fiets |
| e | veel |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- jaarlijkse viering van Pesach
- jaarlijkse viering van Pasen, de opstanding van Jezus Christus uit de dood
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paasfeesten | meervoud |
| paasfeestje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paasfeestjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van paas en feest
Woordfamilie van paasfeest
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paasfeesten | meervoud | paasfeest |
| paasfeestje | verkleinwoord | paasfeest |
| paasfeestjes | verkleinwoord meervoud | paasfeest |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paasfeest zijn vastgelegd.