prevelen
werkwoordBetekenis
- weinig verstaanbaar iets opzeggen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van prevelen
prevelenhele werkwoord — preveldeverleden tijd enkelvoud — preveldenverleden tijd meervoud — gepreveldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | prevel | prevelde |
| jij | prevelt | prevelde |
| hij, zij, het | prevelt | prevelde |
| wij | prevelen | prevelden |
| jullie | prevelen | prevelden |
| zij | prevelen | prevelden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gepreveld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepreveld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepreveld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepreveld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepreveld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepreveld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepreveld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepreveld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepreveld | verleden tijd, deelwoord |
| gepreveld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepreveld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepreveld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepreveld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepreveld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepreveld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepreveld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepreveld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepreveld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepreveld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepreveld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepreveld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepreveld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepreveld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepreveld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepreveld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepreveld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepreveld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepreveld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepreveld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepreveld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepreveld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepreveld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepreveld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepreveld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepreveld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| prevel | gebiedende wijs |
| prevelde | verleden tijd |
| prevele | aanvoegende wijs |
| prevelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepreveld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te prevelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen prevelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gepreveld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepreveld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepreveld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gepreveld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gepreveld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepreveld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepreveld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepreveld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepreveld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepreveld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepreveld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepreveld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gepreveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepreveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepreveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepreveld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepreveld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepreveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepreveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepreveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepreveld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepreveld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepreveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepreveld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepreveld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepreveld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepreveld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepreveld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen prevelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepreveld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult prevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘mompelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1615
Woordfamilie van prevelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepreveld | voltooid deelwoord | prevelen |
| geprevelde | woordvorm | prevelen |
| prevel | gebiedende wijs | prevelen |
| prevelde | verleden tijd | prevelen |
| prevelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | prevelen |
| prevele | aanvoegende wijs | prevelen |
| prevelend | onvoltooid deelwoord | prevelen |
| prevelende | woordvorm | prevelen |
| prevelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | prevelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prevelen zijn vastgelegd.