merk
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈmɛrᵊkBetekenis
- een kenteken aangebracht ter identificatie van iets, (merkteken, teken)
- een symbool of naam voor producten van een bepaalde producent of handelsonderneming
Hoe spreek je merk uit?
/ˈmɛrək/
Merk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ə | de |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| merken | meervoud |
| merkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| merkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van merken
- gebiedende wijs van merken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van merken
Vervoeging van merk
merkhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘teken’ voor het eerst aangetroffen in 1323
Woordfamilie van merk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| merkje | verkleinwoord | merk |
| merkjes | verkleinwoord meervoud | merk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van merk zijn vastgelegd.