meester
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈmestərBetekenis
- iemand die macht en gezag heeft
- iemand die uitblinkt in een bepaalde vaardigheid, virtuoos
- een onderwijzer met name op een lagere school
- iemand die het doctoraal examen in de rechtsgeleerdheid heeft afgelegd
- iemand die door het maken van een proefstuk de bevoegdheid had gekregen om zelfstandig zijn ambacht uit te oefenen
- onderofficier bij de marine, één rang lager dan meester-chef en gelijk aan 1e sergeant bij de landmacht, de luchtmacht en de medische dienst
- meerdere in een sadomasochistische relatie
- -slaaf element
Hoe spreek je meester uit?
/ˈmestər/
Meester bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die iets onder controle heeft figuratively
- deel van een meester-slaaf element
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| meesters | meervoud |
| meestertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| meestertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meesteren
- gebiedende wijs van meesteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meesteren
Vervoeging van meester
meesterhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘onderwijzer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Woordfamilie van meester
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meesters | meervoud | meester |
| meestertje | verkleinwoord | meester |
| meestertjes | verkleinwoord meervoud | meester |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meester zijn vastgelegd.