burgemeester
zelfstandig naamwoord bʏrɣə'mestərBetekenis
- hoofd van het gemeentebestuur
- het bord onder de spil van een molen
- de naam van een tweetal meeuwensoorten:
- de grote burgemeester
- de kleine burgemeester
Hoe spreek je burgemeester uit?
/bʏrxəˈmestər/
Burgemeester bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| x | acht |
| ə | de |
| m | maan |
| e | veel |
| s | sok |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| burgemeesters | meervoud |
| burgemeestertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| burgemeestertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Ontwikkeld uit vroeg Middelnederlands borghmeester ‘wijkhoofd’, in de betekenis van ‘hoofd van een gemeente’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1254
Woordfamilie van burgemeester
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| burgemeesters | meervoud | burgemeester |
| burgemeestertje | verkleinwoord | burgemeester |
| burgemeestertjes | verkleinwoord meervoud | burgemeester |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van burgemeester zijn vastgelegd.