meeroken
werkwoordBetekenis
- ademhalen in een ruimte waar gerookt wordt zodat de niet-roker ook tabaksrook binnen krijgt.
Vervoeging van meeroken
meerokenhele werkwoord — rookte meeverleden tijd enkelvoud — rookten meeverleden tijd meervoud — meegerooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rook mee | rookte mee |
| jij | rookt mee | rookte mee |
| hij, zij, het | rookt mee | rookte mee |
| wij | roken mee | rookten mee |
| jullie | roken mee | rookten mee |
| zij | roken mee | rookten mee |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had meegerookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meegerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meegerookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meegerookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meegerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meegerookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meegerookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meegerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegerookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meegerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meegerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meegerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegerookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te roken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen roken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal roken | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou roken | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden roken | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt roken | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen roken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen roken | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult roken | bijzin, toekomende tijd |
| meegerookt | verleden tijd, deelwoord |
| meegerookt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegerookt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meerokend | onvoltooid, deelwoord |
| meerook | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meerookt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meerookte | bijzin, verleden tijd |
| meerookten | bijzin, verleden tijd |
| rook mee | gebiedende wijs |
| rookte mee | verleden tijd |
| te hebben meegerookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meeroken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal meegerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meeroken | bijzin, toekomende tijd |
| zou meegerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meeroken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meeroken mee zou(dt) roken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meeroken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegerookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meeroken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meegerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meeroken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meeroken | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegerookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meeroken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meeroken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal meeroken mee zult/zal roken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee en roken
Woordfamilie van meeroken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meegerookt | voltooid deelwoord | meeroken |
| meeroke | with-subordinate-clause | meeroken |
| meerokend | onvoltooid deelwoord | meeroken |
| meerokende | woordvorm | meeroken |
| meerook | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meeroken |
| meerookt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meeroken |
| meerookte | subordinate-clause, verleden tijd | meeroken |
| meerookten | subordinate-clause, verleden tijd | meeroken |
| roke mee | woordvorm | meeroken |
| roken mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meeroken |
| rook mee | gebiedende wijs | meeroken |
| rookt mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meeroken |
| rookte mee | verleden tijd | meeroken |
| rookten mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meeroken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meeroken zijn vastgelegd.