lul
zelfstandig naamwoord, werkwoord lʏlBetekenis
- geslachtsdeel van de man
- scheldwoord voor een man
- sukkel, schlemiel
- Arch. (1811) : een klein driehoekig zeil dat voor op kleine schepen gezet wordt, kuiffok
- Arch. (1811) : een houten pijp aan een pomp waaruit het water loopt, spuitstuk van een brandweerslang
Hoe spreek je lul uit?
/lʏl/
Lul bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ʏ | put |
zelfstandig naamwoord — masculine
- jongen of man die pech heeft, sukkel, sul, sulletje vulgar
- denigrerende benaming in het algemeen voor iemand van het mannelijk geslacht vulgar
- pijpkan voor kinderen obsolete
- aan een pomp bevestigde pijp waar water doorheen kan stromen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lullen | meervoud |
| lulletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lulletjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord
- Arch. (1811) : houten pijp aan een pomp waaruit het water loopt, spuitstuk van een brandweerslang
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lullen | meervoud |
| lulletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lulletjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lullen
- gebiedende wijs van lullen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lullen
Vervoeging van lul
lulhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] lul | canonical |
zelfstandig naamwoord
- Arch. (1811) : klein driehoekig zeil dat voor op kleine schepen gezet wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lullen | enkelvoud |
Woordfamilie van lul
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lulletje | verkleinwoord | lul |
| lulletjes | verkleinwoord meervoud | lul |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lul zijn vastgelegd.