ampul
zelfstandig naamwoord ɑmˈpʏlBetekenis
- dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
- afsmeltbare, meestal geëvacueerde reageerbuis voor synthese bij hogere temperaturen
- buikig kannetje
- schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis
- gloeilamp
Hoe spreek je ampul uit?
/ɑmˈpʏl/
Ampul bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| m | maan |
| p | pak |
| ʏ | put |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ampullen | meervoud |
| ampulletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ampulletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘buisje met injectievloeistof’ voor het eerst aangetroffen in 1933
Woordfamilie van ampul
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ampullen | meervoud | ampul |
| ampulletje | verkleinwoord | ampul |
| ampulletjes | verkleinwoord meervoud | ampul |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ampul zijn vastgelegd.