duiden
werkwoord ˈdœydə(n)Betekenis
- uitleggen, verklaren, begrijpelijk maken
- duiden op:een teken zijn dat iets gaat gebeuren
Hoe spreek je duiden uit?
/ˈdœydən/
Duiden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| œy | huis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- duiden op: een teken zijn dat iets gaat gebeuren
Vervoeging van duiden
duidenhele werkwoord — duiddeverleden tijd enkelvoud — duiddenverleden tijd meervoud — geduidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | duid | duidde |
| jij | duidt | duidde |
| hij, zij, het | duidt | duidde |
| wij | duiden | duidden |
| jullie | duiden | duidden |
| zij | duiden | duidden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| duid | gebiedende wijs |
| duidde | verleden tijd |
| duide | aanvoegende wijs |
| duidend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geduid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geduid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geduid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geduid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geduid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geduid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geduid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geduid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geduid | verleden tijd, deelwoord |
| geduid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geduid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geduid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geduid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geduid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geduid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geduid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geduid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geduid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geduid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geduid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te duiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geduid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen duiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal duiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal duiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal duiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geduid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geduid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geduid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geduid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geduid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou duiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou duiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou duiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden duiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden duiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden duiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt duiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen duiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen duiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen duiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen duiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geduid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geduid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geduid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geduid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geduid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geduid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult duiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geduid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geduid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘wijzen, uitleggen’ voor het eerst aangetroffen in 1200
Woordfamilie van duiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| duid | gebiedende wijs | duiden |
| duidde | verleden tijd | duiden |
| duidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | duiden |
| duide | aanvoegende wijs | duiden |
| duidend | onvoltooid deelwoord | duiden |
| duidende | woordvorm | duiden |
| duidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | duiden |
| geduid | voltooid deelwoord | duiden |
| geduide | woordvorm | duiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duiden zijn vastgelegd.