Naar de inhoud

duiden

uitleggen, verklaren, begrijpelijk maken

duiden

werkwoord ˈdœydə(n)

Betekenis

  1. uitleggen, verklaren, begrijpelijk maken
  2. duiden op:een teken zijn dat iets gaat gebeuren

Hoe spreek je duiden uit?

/ˈdœydən/

Duiden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈdœydən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
d dak
œy huis
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. duiden op: een teken zijn dat iets gaat gebeuren

Vervoeging van duiden

duidenhele werkwoord — duiddeverleden tijd enkelvoud — duiddenverleden tijd meervoud — geduidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik duid duidde
jij duidt duidde
hij, zij, het duidt duidde
wij duiden duidden
jullie duiden duidden
zij duiden duidden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geduid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geduid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
duid gebiedende wijs
duidde verleden tijd
duide aanvoegende wijs
duidend onvoltooid, deelwoord
er is geduid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geduid impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geduid impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geduid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geduid worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geduid zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geduid worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geduid zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geduid verleden tijd, deelwoord
geduid te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geduid te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geduid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geduid te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geduid te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geduid worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geduid zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geduid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geduid zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geduid zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geduid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geduid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geduid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geduid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geduid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geduid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geduid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geduid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geduid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geduid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geduid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geduid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geduid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geduid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geduid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geduid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geduid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te duiden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geduid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen duiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geduid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geduid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geduid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geduid voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geduid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geduid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geduid voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geduid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geduid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geduid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geduid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geduid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geduid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geduid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geduid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geduid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geduid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geduid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geduid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geduid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal duiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal duiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal duiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geduid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geduid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geduid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geduid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geduid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geduid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geduid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geduid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geduid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geduid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geduid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou duiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou duiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou duiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geduid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geduid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geduid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geduid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geduid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geduid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geduid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geduid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geduid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden duiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden duiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden duiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geduid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geduid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geduid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geduid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geduid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geduid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geduid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geduid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geduid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt duiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geduid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geduid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geduid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen duiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen duiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen duiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen duiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geduid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geduid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geduid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geduid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geduid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geduid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geduid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geduid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geduid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult duiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geduid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geduid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geduid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘wijzen, uitleggen’ voor het eerst aangetroffen in 1200

Woordfamilie van duiden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
duid gebiedende wijs duiden
duidde verleden tijd duiden
duidden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon duiden
duide aanvoegende wijs duiden
duidend onvoltooid deelwoord duiden
duidende woordvorm duiden
duidt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon duiden
geduid voltooid deelwoord duiden
geduide woordvorm duiden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duiden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over duiden

Hoe spreek je duiden uit?
De uitspraak van duiden is: /ˈdœydə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent duiden?
Duiden is een werkwoord. Het woord betekent: uitleggen, verklaren, begrijpelijk maken. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je duiden?
Je vervoegt duiden als volgt: de tegenwoordige tijd is duid, de verleden tijd is duidde en het voltooid deelwoord is geduid. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op duiden?

In dit woordenboek rijmen 10 woorden op -uiden op duiden, zoals zuiden, bezuiden en luiden. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op duiden, uitspraak ˈdœydən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
zuiden 2
bezuiden 3
luiden 2
babyhuiden 4
gijluiden 3
huiden 2
klokkenluiden 4
klokkenluidend 4
tegengeluiden 5
tuimelkruiden 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord duiden is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. U 4
  3. I 1
  4. D 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

duiden levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 42 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. U 2
  3. I 2
  4. D 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 zonder bonus
  8. 42 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (D) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

duiden telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

duiden in het kort

duiden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van duiden zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort duiden bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

duiden: uitleggen, verklaren, begrijpelijk maken
Deel duiden — standaardnederlands.nl