lijst
zelfstandig naamwoord, werkwoord /lɛist/Betekenis
- een opsomming van zaken die onder elkaar staan
- een rand in een speciale vorm om iets in te vatten, zoals een schilderij
- een kader of omtrek
- een vooruitspringende rand aan een gebouw
Hoe spreek je lijst uit?
/lɛist/
Lijst bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lijsten | meervoud |
| lijstje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lijstjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van lijsten
- gebiedende wijs van lijsten
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijzen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijzen
- gebiedende wijs meervoud van lijzen
Vervoeging van lijst
lijsthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘rand’ voor het eerst aangetroffen in 1277
Woordfamilie van lijst
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lijsten | meervoud | lijst |
| lijstje | verkleinwoord | lijst |
| lijstjes | verkleinwoord meervoud | lijst |
| gelijst | woordvorm | lijsten |
| gelijste | woordvorm | lijsten |
| lijste | woordvorm | lijsten |
| lijstend | woordvorm | lijsten |
| lijstende | woordvorm | lijsten |
| lijstte | woordvorm | lijsten |
| lijstten | woordvorm | lijsten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lijst zijn vastgelegd.