leunen
werkwoord ˈlønə(n)Betekenis
- steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
Hoe spreek je leunen uit?
/ˈlønən/
Leunen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ø | deur |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van leunen
leunenhele werkwoord — leundeverleden tijd enkelvoud — leundenverleden tijd meervoud — geleundvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leun | leunde |
| jij | leunt | leunde |
| hij, zij, het | leunt | leunde |
| wij | leunen | leunden |
| jullie | leunen | leunden |
| zij | leunen | leunden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geleund | verleden tijd, deelwoord |
| geleund te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geleund zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geleund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geleund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geleund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geleund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geleund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geleund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geleund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geleund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleund | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geleund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geleund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geleund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leun | gebiedende wijs |
| leunde | verleden tijd |
| leune | aanvoegende wijs |
| leunend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geleund | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te leunen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen leunen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geleund hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geleund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geleund hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal leunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal leunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal leunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou leunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou leunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou leunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden leunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden leunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden leunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geleund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt leunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geleund hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geleund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geleund hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen leunen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen leunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen leunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen leunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geleund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult leunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘steunen op of tegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1439
Woordfamilie van leunen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geleund | voltooid deelwoord | leunen |
| leun | gebiedende wijs | leunen |
| leunde | verleden tijd | leunen |
| leunden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | leunen |
| leune | aanvoegende wijs | leunen |
| leunend | onvoltooid deelwoord | leunen |
| leunende | woordvorm | leunen |
| leunt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | leunen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leunen zijn vastgelegd.