beunen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbønə(n)Betekenis
- zonder de vereiste kennis en bevoegdheid uitoefenen van een vak
Hoe spreek je beunen uit?
/ˈbønən/
Beunen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ø | deur |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beunen
beunenhele werkwoord — beundeverleden tijd enkelvoud — beundenverleden tijd meervoud — gebeundvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beun | beunde |
| jij | beunt | beunde |
| hij, zij, het | beunt | beunde |
| wij | beunen | beunden |
| jullie | beunen | beunden |
| zij | beunen | beunden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beun | gebiedende wijs |
| beunde | verleden tijd |
| beune | aanvoegende wijs |
| beunend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeund | verleden tijd, deelwoord |
| gebeund te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeund zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeund | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beunen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeund | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beunen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeund hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeund hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou beunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeund hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeund hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeund hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeund hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beunen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beunen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeund hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeund hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beunen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord beun
Woordfamilie van beunen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beunde | verleden tijd | beunen |
| beunden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beunen |
| beune | aanvoegende wijs | beunen |
| beunend | onvoltooid deelwoord | beunen |
| beunende | woordvorm | beunen |
| beunt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beunen |
| gebeund | voltooid deelwoord | beunen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beunen zijn vastgelegd.