krijg
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| krijgen | meervoud |
| krijgje | verkleinwoord, enkelvoud |
| krijgjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krijgen
- gebiedende wijs van krijgen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krijgen
Vervoeging van krijg
krijghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘oorlog’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van krijg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| krijgje | verkleinwoord | krijg |
| krijgjes | verkleinwoord meervoud | krijg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krijg zijn vastgelegd.