kosten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈkɔstə(n)Betekenis
- voor een bepaalde prijs te koop zijn
- vergen
- geldbedrag of andere tegenprestatie voor een verkregen voorwerp of dienst of voor veroorzaakte schade
Hoe spreek je kosten uit?
/ˈkɔstən/
Kosten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- als te betalen prijs hebben absolute
- als tegenprestatie vereisen, verlies met zich meebrengen van absolute, figuratively
Vervoeging van kosten
kostenhele werkwoord — kostteverleden tijd enkelvoud — kosttenverleden tijd meervoud — gekostvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kost | kostte |
| jij | kost | kostte |
| hij, zij, het | kost | kostte |
| wij | kosten | kostten |
| jullie | kosten | kostten |
| zij | kosten | kostten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekost | verleden tijd, deelwoord |
| gekost te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekost zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kost | gebiedende wijs |
| koste | aanvoegende wijs |
| kostend | onvoltooid, deelwoord |
| kostte | verleden tijd |
| te hebben gekost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kosten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kosten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kosten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kosten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kosten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kosten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kosten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kosten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kosten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kosten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kosten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kosten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kosten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kosten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kosten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kosten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kosten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
ww via Middelnederlands costen van Frans coster, in de betekenis van ‘voor een bedrag verkrijgbaar zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van kosten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekost | voltooid deelwoord | kosten |
| kostend | onvoltooid deelwoord | kosten |
| kostende | woordvorm | kosten |
| kostte | verleden tijd | kosten |
| kostten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kosten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kosten zijn vastgelegd.