winterkoning
zelfstandig naamwoord ˈwɪntərˌkonɪŋBetekenis
- klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje
Hoe spreek je winterkoning uit?
/ˈwɪntərˌkonɪŋ/
Winterkoning bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| k | kat |
| o | boot |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje, Troglodytes troglodytes
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| winterkoningen | meervoud |
| winterkoninkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| winterkoninkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands winterconinc, in de betekenis zangvogel aangetroffen vanaf 1477; op te vatten als samenstelling van winter zn en koning zn , een verwijzing naar een oude fabel De koning der vogels
Woordfamilie van winterkoning
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| winterkoninkje | verkleinwoord | winterkoning |
| winterkoninkjes | verkleinwoord meervoud | winterkoning |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van winterkoning zijn vastgelegd.